- 25 January 2008
- Gepost door Erik Verreet
Beurzen krijgen flinke klappen en topbedrijven publiceren tegenvallende jaarcijfers. Het woord ‘recessie’ is niet uit de lucht. Zelfs de Chinese sneltrein vertraagt dit jaar. Van de +11% vorig jaar, zakt de groei er naar 6 tot 8%. Dat is voor China een harde landing. Met als gevolg voor ons: het kelderen van de grondstoffenprijzen.
Intussen breekt in onze kleine, open economie de ene staking na de andere uit. Arbeiders klagen over hun dalende koopkracht. “Duurdere energie, duurdere voeding, duurdere huisvesting: onze werknemers ervaren het verlies aan koopkracht aan den lijve”, onderstreept ABVV-voorzitter Rudy De Leeuw.
Normaal beschermt de index hen tegen zwaar koopkrachtverlies. Onder de militanten leeft het gevoel dat de gezondheidsindex niet volstaat om hun koopkracht op peil te houden. Zonder olie, diesel en alcohol volgt die index nog amper de koopkracht, wat de bedoeling was.
Onder druk van de stakingsacties hebben verschillende partijvoorzitters verklaard dat ze nu weten ‘waar de mensen echt mee bezig zijn’. In dezelfde sfeer pakten bevlogen ministers uit met hun ideetjes om die koopkracht te vrijwaren. Nu de grondstoffenprijzen gepiekt hebben, wordt het risico groot dat elke gerichte maatregel te laat komt. Alvorens zo’n maatregel door de administratie netjes is ingepast, kunnen de prijzen van olie en andere grondstoffen alweer gedaald zijn. Zodat de maatregel moet ingetrokken worden, of niet meer is dan een slag in het water.
Daarom is het beter een brede maatregel te formuleren, zoals een vermindering van de lasten op het salaris. Als een werknemer zijn nettosalaris ziet toenemen, zal hij minder geneigd zijn bij zijn werkgever aan te kloppen voor een loonsverhoging. Zo’n maatregel is tegelijk een stevige anti-depressiepil voor onze economie.
Wie hoor ik zuchten dat het geld op is? Dezelfde politici die al acht jaar lang en in volle hoogconjunctuur datzelfde geld door deuren en ramen buiten zwierden?
- 22 January 2008
- Gepost door Erik Verreet
Voor het eerst wordt de ‘war for talent’ in België op zo’n grote schaal gevoerd. De West-Vlaamse bedrijven vrezen dat ze vele duizenden Franse sollicitanten zullen verliezen. Begin 2009 dooft hun gunstig fiscale regime immers uit, zodat het nettoloon voor nieuwkomers met een tiende daalt. Indien de Fransen echt wegblijven, overweegt driekwart van de West-Vlaamse bedrijfsleiders zijn productie naar elders over te brengen. De werkgeversorganisatie Unizo schreeuwt moord en brand. Want de gevolgen voor de streek zijn niet te onderschatten. Vandaag telt West-Vlaanderen 9.000 grensarbeiders. Er werken ruim 31.000 Fransen in alle grensregio’s in België.
Vroeger nam niemand aanstoot aan de fiscale begunstiging van de Fransen. Tot het bij de Waalse politici doordrong dat Vlaanderen ernstig werk maakt van de regionalisering van de arbeidsmarkt. Rudy Demotte, de minister-president van de Waalse regering, neemt het niet dat de Vlamingen telkens wijzen op het feit dat in het Kortrijkse duizenden Fransen aan de slag zijn en weinig Walen. De Waalse werklozen kunnen volgens hem immers niet concurreren met de goedgeschoolde stielmannen van over de grens. Want voor een Belgisch werkgever valt zo’n Franse specialist goedkoper uit dan een werkloze uit eigen streek.
Daarom zullen de Waalse politici het been stijf houden: waarschijnlijk volgt er een parlementaire goedkeuring van het protocol dat minister Reynders afsloot met enkele Franse ministers, tenzij de Unizo-campagne het kan tegenhouden. De oplossing is het aansnijden van de Waalse arbeidsreserve. Daarvoor moet de samenwerking tussen VDAB en Forem nog beter en de Waalse werklozen beter geschoold worden.
Daarnaast bestaat er een tweede uitweg: de West-Vlaamse bedrijven kunnen ook hogere salarissen betalen. Uiteindelijk is dit een typisch geval van een tekort aan aanbod. Willen ze medewerkers aantrekken van over de grenzen, dus ook Polen, Nederlanders en Italianen, is een goed salaris een ideaal startpunt.
- 30 November 2007
- Gepost door Erik Verreet
Jennifer brandt binnenkort op. De voorbije weken bleef ze geregeld tot elf, twaalf uur ’s nachts op kantoor. Dat late uur is voor haar geen uitzondering: ze vult heel consciëntieus haar nieuwe functie in van commercieel verantwoordelijke. Jennifer wil het bestaande systeem aanpassen maar ze loopt verloren in haar plannen. Ze blijft stokkendoof voor het advies van collega’s om minder hooi op de vork te nemen. En de directie grijpt niet in. Thuis mort haar partner.
Op een slechte ochtend zal Jennifer ontwaken en nog amper uit bed geraken. Haar benen zullen niet meer meewillen en haar oren zullen geen geluid meer verdragen. Perfectionisten, controlefreaks, ja-knikkers en vooral enthousiaste medewerkers lopen een hoger risico om op te branden. Vooral de ‘crème de la crème’ onder de werknemers wordt er slachtoffer van en is een half jaar uit roulatie.
De Nederlandse journalist Annegreet Van Bergen werd gevloerd door een burn-out en was maanden uit circulatie. Haar hoofdredacteur was ook niet tijdig tussengekomen. In haar boek ‘De lessen van burn-out’ (Het Spectrum) vertelt Annegreet Van Bergen hoe ze heel langzaam en heel onzeker uit dat diepe gat kroop.
‘Hoe moordend is uw job?’, blokletterde Vacature twee maanden geleden. Terwijl depressies en burn-outs om ons heen woekeren, stelden we vast dat bijzonder weinig organisaties er correct mee omspringen. Het sleutelwoord hier is ‘een coherent beleid’ dat tijdig de risicogroepen in kaart brengt en hen ondersteunt.
Meestal reageren bedrijven als het te laat is, als een manager in elkaar gestuikt is of de medewerkers massaal wegvluchten. Een organisatie mag de kop niet in het zand steken. Dat is zelfs gevaarlijk. Eens uw organisatie de naam krijgt om overwerkte medewerkers te dumpen - of ze na hun terugkeer op een zijspoor te rangeren - is er nog weinig remediëren aan: een slechte naam blijft lang kleven.
Niet akkoord met het standpunt van Erik? Dit is je kans om van je te laten horen…
- 16 November 2007
- Gepost door Erik Verreet
Dinsdag was een rare dag. Op heel verschillende momenten vertelden drie werkende Vlamingen hoe overuren hun leven verpesten. De postbode was even in staking. Hij en zijn 45 collega’s hadden het werk neergelegd omdat ze niet meer in staat zijn hun vakantiedagen op te nemen. Er is extra werk opgedoken en ze dreigen die vakantiedagen te verliezen.
Een buurman doet lange dagen in een Antwerps chemisch bedrijf. Enkele technische ploegen draaien er dagen van twaalf (en niet van acht) uur omdat er enkele collega’s zijn weggevallen. Dit tekort zal niet voor Nieuwjaar opgelost zijn.
En enkele ‘dispatchers’ van een hulpdienst kloppen continu overuren, eveneens bij gebrek aan medewerkers.
Waarom vallen zoveel bedrijven in Vlaanderen terug op overuren? Dat is bijzonder ongezond. Niet alleen voor de werknemers. U en ik zijn bereid er af en toe flink in te vliegen. ‘Go for the extra mile’, zoals dat in multinationals heet. Maar als die druk blijft en het personeelstekort structureel is, zoeken we een andere baan.
Want die ‘extra mijl’ lopen we al geregeld. Uit het Vacature/Vlerick-onderzoek ‘Hoe hard werken we?’ blijkt dat de gemiddelde Belgische bedienden en kaderleden 46 uren per week presteren. Dat is 8 uur meer dan contractueel verplicht. Bij ruim de helft (58%) van de deelnemers leidden die overuren niet tot meer salaris (of recuperatiedagen).
Moeten we dan verrast zijn met dat vers onderzoek in Belgi력n in de VS dat bij werknemers weinig motivatie vindt?
Organisaties die systematisch te veel willen realiseren met te weinig medewerkers, ondergraven zichzelf. Natuurlijk leggen goede managers er af en toe de zweep op, maar ze nemen evengoed geregeld gas terug. Die waakt er over dat er geen cultuur van overuren, groeit. Iedereen, van hoog tot laag, moet geregeld tijd krijgen om zijn zaakjes weer in orde te brengen. Wie zich permanent achterna holt, valt ooit in een diep gat.
- 9 November 2007
- Gepost door Erik Verreet
Premier Verhofstadt ging voor 200.000 jobs en haalde ze ongeveer. Ook formateur Leterme mikt op 200.000 nieuwe jobs. Voorzitter Urbain Vandeurzen van zijn kant toonde zich tijdens het voorbije Voka-congres nog ambitieuzer: onder het motto ‘extra actieven of samen verarmen’ wil hij tegen 2020 500.000 nieuwe jobs in België.
Daarvoor stelt hij een solidariteitspact voor tussen de drie regio’s, waarbij Vlaanderen 250.000 banen voor zijn rekening neemt, Wallonië 150.000 en Brussel 100.000. Hij kreeg instemming van de Waalse en de Brusselse werkgeversfederaties voor zijn plan.
Vlaanderen heeft sinds 1999 elk jaar 20.000 jobs gecreëerd. In diezelfde periode haalde Brussel 5.000 bijkomende jobs per jaar en Wallonië 10.000 jobs. “Om mijn doelstelling te halen zou de jobmotor in de twee gewesten moeten verdubbelen”, weet Urbain Vandeurzen. “Het moet veel sneller vooruitgaan. We hebben een zéér performante economie nodig om ons welvaartsniveau te behouden.” Intussen boert België in veel internationale klassementen systematisch achteruit.
Hoewel het plan theoretisch kan, zijn de politieke hindernissen enorm:
- In Vlaanderen wil voorzitter Vandeurzen een derde van de jobs (85.000) halen uit migratie van werkers uit Brussel, Wallonië en de EU-lidstaten. Met het huidige migratiebeleid trekt ons land nooit enkele tienduizenden hooggeschoolden aan.
- Verder wil hij er 85.000 halen uit de werkloosheid. De huidige, opdringerige opvolging van RVA en VDAB moet dus nog strenger. Welke politicus durft de zweep leggen over onwillige uitkeringstrekkers? - Een ander derde zullen de 50-plussers leveren, door langer aan de slag te blijven. Dit lijkt de meest haalbare kaart.
Zonder een sterke economische groei komen er geen half miljoen jobs bij. Voorlopig vertalen veel bedrijven groei in de aankoop van snellere machines in plaats van het rekruteren van meer medewerkers. De hoge loonkosten laten hen geen keuze. Om meer talent op te sporen, aan te trekken en beter te belonen, moeten ook de bedrijven zich intern anders organiseren. Hij zegt het niet maar Vandeurzen wil dat we fundamenteel anders gaan werken.
- 2 November 2007
- Gepost door Erik Verreet
We durven er al eens mee lachen. Maar het wordt erger. Leidinggevenden verschuilen zich meer en meer achter managementbargoens. Vooral sectoren die zwaar onder Angelsaksische invloed staan, zoals informatica en marketing, lijden onder een slijmerig jargon. Ze slaan er u rond het hoofd met termen als ‘value proposition’('prop’ voor de kenners), ‘resilience’, ‘performance management’ of nog ‘enablers’ en ‘deliverables’. En geloven zelf dat ze professioneel zijn als ze hun taal maar doorspekken met dergelijke begrippen.
Klare, eenvoudige communicatie is essentieel om iets te bereiken op de werkplek. De woorden die een leidinggevende gebruikt, vormen de basis waarop medewerkers zich richten. Bijvoorbeeld, als mijn chef verklaart dat ‘de wereld plat is’, moet ik mijn plannen maken vanuit het perspectief van een globale wereldmarkt, en me niet beperken tot klein Vlaanderen.
Waarom sluipen die holle managementtermen zo gemakkelijk binnen? Omdat mensen naäpen. Als een succesvol manager spreekt, luisteren zijn collega’s respectvol, niet alleen om te horen wat hij heeft gerealiseerd, maar vooral, hoe hij zijn succes verkoopt. De taal van succes klinkt zoet.
Praten is natuurlijk hun job. Ze leven van hun tong. Met hun vergaderingen en ‘breefings’ willen managers hun medewerkers in beweging krijgen. Ze zien het als hun taak om ook in situaties die ze niet kennen, de leiding te nemen. Dan vallen ze nog sneller terug op algemeenheden. Dit soort managers zijn de moderne sofisten, de beroepsdenkers uit de Griekse oudheid die hun leerlingen welsprekendheid aanleerden om in alle omstandigheden gelijk te halen.
Ze hebben niet door dat hun woorden dikwijls de actie vervangen. De meeste organisaties draaien op stille werkers die tijdens de praatsessies hun mond houden en het hunne ervan denken.
De manager ontstond toen er vraag was naar een figuur die veelal ongeschoolde mensen samen complexe taken kon laten uitvoeren. Vandaag zijn de meeste medewerkers zelf expert. Zij kunnen hun job aan met een minimum aan leiding. Daarom vervallen managers in taalspelletjes.
- 26 October 2007
- Gepost door Erik Verreet
Leerkrachten en zelfs schooldirecties staan dikwijls negatief tegenover de bedrijfswereld. Ze hebben niet alleen weinig voeling met wat er leeft in de ondernemingen, de breed uitgesmeerde schandalen in de pers ondersteunen hun negatief bedrijfsbeeld.
Het werd dus tijd dat iemand onderzocht hoe het onderwijs het ondernemerschap in Vlaanderen kan bevorderen. Woensdag pakte de Koning Boudewijnstichting uit met een gedegen en genuanceerde analyse. Onder de vlag van het ‘ondernemersschapsonderwijs’ wil de Stichting de ‘ondernemerscompetenties’ bij onze jongeren stimuleren. Ze schreef hiervoor een actieplan.
Minister Frank Vandenbroucke van Werk weigert die inzichten in nieuwe eindtermen te gieten. Hij gelooft niet in zo’n strak maatpak maar hoopt dat de conclusies de leerplannen halen en de aanpak van de leraars inspireren.
In haar rapport maakt de Stichting onderscheid tussen drie soorten ondernemerschap: met het zakelijke ondernemerschap creëer je economische waarde, sociaal ondernemerschap vernieuwt de social-profitsector en het persoonlijk ondernemerschap geeft je leven en loopbaan richting. Ondernemerschap is dus veel breder dan alleen harde ‘business’. Een sterke persoonlijkheidsvorming botst niet met onderwijs dat jongeren beter klaarstoomt voor de arbeidsmarkt. We weten al langer dat bedrijven vooral sterke personen zoeken, medewerkers met durf, volharding, creativiteit, … noem maar op.
Er lopen al een hele rits initiatieven om de brug te slaan tussen het onderwijs en de economie. De mini-ondernemingen, de leerondernemingen, initiatieven van VKW, VBO, Voka, … Verdienstelijk, maar gefragmenteerd. De scholen zien door het bos de bomen niet meer. Hier kan meer coördinatie geen kwaad.
Niet ten onrechte hebben leraars het gevoel dat elk maatschappelijk probleem (drugs, integratie, …) op hun rug wordt opgelost. Telkens het ergens brandt, roepen wij de scholen ter hulp. Hier gebeurt het weer, en terecht.
Maar dit is niet alleen hun taak. Wij moeten met ons allen de mouwen oprollen en een positief ondernemerschap promoten. Bijvoorbeeld, door onze kinderen toe te laten buiten de band te springen. Hoe krijgen we anders echte ondernemers?
- 7 September 2007
- Gepost door Erik Verreet
“Ex-collega’s kampen met depressies. Ze zitten aan de grond na een ontslag. Anderen vervelen zich dood met hun brugpensioen. Ik wil ook de weg niet op van een vriend die een hartaanval kreeg en daarna een zware stap terug moest zetten.” Peter beschrijft enkele rampgevallen in zijn kennissenkring. Mijn vriend klinkt grimmig. Ons gesprek draait rond het bericht dat het voorbije jaar de tewerkstelling van vijftigplussers met 8,4% gestegen is. Peter ziet het lang niet zo rooskleuring. Hij zegt geen weerklank te krijgen op het werk. Zelf zit hij zwaar onder de stress en bekijkt zijn baan nog enkel als een bron van inkomsten. Motivatie: nul.
Ik volg hem een beetje. Hoe paradoxaal het ook klinkt: de werkloosheid van de vijftigplussers nam ook toe (in Vlaanderen van 4,7 naar 5,8 procent). En vergeleken met de vijftien Europese kernlanden waar 45 procent van de burgers tussen 55 en 64 nog aan de slag is, is dat in België amper 32 procent, een Europees diepterecord (Nederland en Duitsland: 48%!).
Als onze bedrijven deze trend echt willen omkeren, moet er dringend een nieuwe wind waaien door hun organisaties. Oudere werknemers wensen boeiende vooruitzichten en andere taken. Ze hebben veel gezien. Sommigen houden het voor gezien. Zo kent Peter een manager die nu bij een gemeente werkt voor een derde van zijn vroegere loon en zich hypergelukkig voelt.
Intussen jagen de meeste bedrijven volop op jonge, goedkope honden. Die beginnen met veel plezier, maar eens ze voldoende ervaring hebben opgedaan, trekken ze verder de vrije wereld in. Ze willen nog die grote naam op hun cv. De oudere werknemer voelt die drang niet meer. Vanuit een zekere routine en een verworven efficiëntie wil hij wat rust inbouwen. En het kan. Vandaag slagen 45-plussers er in bedrijfsleiders te overtuigen hen aan te werven omdat ze willen blijven. Heel fideel.
Voorlopig hinken te veel bedrijven op één poot: jong en vinnig. De bedrijfsleider die een goede mix kan brouwen van jong en oud, met een bewuste taakverdeling voor de twee, beschikt over een sterke ploeg met enthousiasme én ervaring.
- 31 August 2007
- Gepost door Erik Verreet
Ik stond even met de mond vol tanden: in het rekje ‘Nieuwe Titels’ van die grote Londense boekhandel prijkte een bekende Vlaamse naam. Daar stond ‘The Chicago School’ van Johan Van Overtveldt vers van de pers te blinken. Zijn onderzoek rond de toonaangevende economieschool had een Amerikaanse uitgever overtuigd. De ex-journalist had vanuit zijn artikels voor Trends en veel onderzoek een werk ggeschreven dat door Milton Friedman, een van de beroemdste economen ooit, wordt betiteld als een ‘diepgaande en bijzonder goed geïnformeerde geschiedenis’.
Voor mij is dit het zoveelste bewijs dat Vlamingen internationaal echt kunnen meespelen. Ik zou evengoed voorbeelden kunnen nemen uit het design, de muziek, het management, de diplomatie, …
Toch klaagt Bekaert-topman Bert De Graeve dat “we in Vlaanderen heel slecht bezig zijn. Vlaanderen plooit te veel terug op zichzelf. We worden kleiner en kleiner omdat we kleiner en kleiner denken.”
En Baloji, de muzikant achter de groep Starflam, verwijt Vlaamse muzikanten dat het softies zijn: “Ze klagen godganse dagen dat ze het moeilijk hebben. Maar als ik hoor wat ze met hun muziek verdienen, val ik gewoon achterover. Ze zijn ontzettend kleinburgerlijk.”
Hetzelfde gevoel leeft bij onze bedrijven. Ze steken hun kop in het zand, beweert Antoine van Agtmael. Hij schreef een boek over de opkomende multinationals die bij ons bedrijven als Sidmar, Pauwels Trafo, Hanssen Transmission of Sidal opkopen.
De wereld gaat open. Wij krijgen nieuwe kansen is zijn boodschap, maar velen durven niet. Onze bedrijven gaan er niet voor. Ze voeren uit naar traag groeiende landen. En ze verliezen er nog marktterrein ook. Ze zouden dringend werk moeten maken van de BRIC’s en de andere, snelgroeiende landen die Vacature deze maand portretteert.
Toch beschikken we over alle troeven: kennis, mensen en kapitaal. Onze studenten, bijvoorbeeld, proeven van die nieuwe wereld via de Erasmus-uitwisselingen. Daarom, fiere Vlamingen, graag wat meer ambitie en durf aub.
- 24 August 2007
- Gepost door Erik Verreet
De voorbije weken vlogen mijn collega’s en ik de wereld rond, op zoek naar economische hoop. We hebben die gevonden. In sommige landen, zoals Iran, zat ze verborgen achter chadors, hoofddoeken en stapels wetten en verboden. In andere landen spatte ze gewoon van de muren. Het verhaal van Vietnam lees u verder in dit nummer. Vier andere landen volgen in september.
Er hangt ontwikkeling in de lucht. Met de internationale doorbraak van China krijgen de ‘ontwikkelingslanden’ eindelijk een ander model voorgeschoteld dan het Westerse, zeg maar het Amerikaanse groeimodel. De pogingen van landen in Latijns-Amerika en Azië liepen vroeger vast in corruptie, een tomeloze inflatie of staatsgrepen.
In sommige landen krijgen de inwoners eindelijk perspectief dat hun hard labeur hen en vooral hun kinderen een beter leven zal bezorgen. En het aantal landen neemt toe. De mix van democratie met vrij ondernemersschap blijkt nu wel te pakken.
Zo trekken Mexico en Brazilië zich uit de modder waarin ze sinds de jaren zeventig in weggleden. Surfend op een jarenlange groei van 5 procent ontstaat een nieuwe middenklasse. De inflatie blijft binnen de perken. Nu durft een gemiddeld gezin zich ook wat aanschaffen op krediet. Hun welvaart stijgt snel en het aantal armen daalt. De levensvreugde nam in deze landen dan ook sneller toe dan in de rest van de wereld. Zelfs communistische regimes zoals Vietnam lokken actief buitenlandse investeringen. En iedereen begrijpt de nieuwe boodschap: rijk worden mag. Het is nog te vroeg om victorie te kraaien. De armoede blijft in deze landen nog ruim verspreid en de regimes zijn wankel.
Maar de lessen zijn heel duidelijk: hou de inflatie in toom, verbeter het onderwijs en geef uw mensen de kans zich te ontplooien. Miljoenen hebben deze goede boodschap gehoord: het kan. Dat zet de regeringen in die landen extra onder druk. Hun burgers weten nu dat niet alleen die verdomde Yankees de schuld dragen als het verkeerd loopt.